Geologie

Geologische kenmerken

De geëxploiteerde materialen worden regelmatig in subhorizontale banken met een dikte tussen 10 cm en 1 m gelaagd. De lagen worden iets dunner naar het noorden van de steengroeve toe.
De breekbaartektoniek die de Verdieping van Doornik getroffen heeft vertaalt zich in :

  • een netwerk van subverticale diaklazen georiënteerd N 210° E tot N 240° O en van N 100° E tot N 120° O.
  • 2 radiale paraklazen, in de richting N 260° en hellend naar 80-85° Z, die een breuk vertonen van ongeveer 2 m en een klei-opvulling over 3-4 m. De twee paraklazen liggen op ongeveer 150 m afstand van elkaar.
  • 2 gekoppelde overlappende paraklazen, georiënteerd N 60° E/40°N en 215° O/25°Z die een breuk vertonen van 3-4 m en een aangetaste zone van ongeveer 2 m dik.

De geëxploiteerde materialen uit de referentielagen van het Doornikse systeem, kunnen in onder meer drie grote lithologische hoofdtypes verdeeld worden (macroscopisch onderzoek) :

  • Type 1: micritische of organodetrische kalksteen of organodétritiques die voor 85 tot 98 % uit de carbonaat, voor 10 tot 20% uit kwarts en voor 5 tot 0 % uit phylliet bestaan.
  • Type 2: schistkalksteen die voor 75 tot 90% uit carbonaat, voor 10 tot 5 % uit kwarts en voor 15 tot 5 % uit phylliet bestaan. De phylliet (soort leisteen) vertoont een voorkeursoriëntatie.
  • Type 3: siliciumkalksteen die voor 65 tot 90% uit carbonaat, voor 30 tot 10% uit kwarts en voor 5 tot 0 % uit phylliet bestaan.

De gemiddelde gehalten aan hoofdzakelijke samenstellend zijn :

  • CaCO3 Calciumcaarbonaat 70 %
  • SiO2 Siliciumdioxide 25 %
  • Al2O3 Aluminiemoxide 2 %
  • MgCO3 Magnésiumcarbonaat 2 %
  • Fe2O3 IJzeroxide 1 %